Volgens Advocaat-Generaal IJzerman bij de Hoge Raad mag van een klein kantoor van fiscale rechtsbijstandverleners, zoals advocaten, belastingadviseurs of accountants, niet zonder meer worden verlangd dat men in staat is in plaats van de oorspronkelijke gemachtigde een vervanger naar een voorziene zitting te sturen. Met name wanneer het gaat om in feitelijk of juridisch opzicht ingewikkelde zaken of om verschijning op korte termijn.
Hof Amsterdam heeft een tweede verzoek om uitstel, wegens persoonlijke omstandigheden van de adviseur, geweigerd. Het hof motiveerde de weigering als volgt: de adviseur heeft al een keer eerder uitstel gevraagd wegens privéomstandigheden, zowel deze als de vorige keer heeft de adviseur het verzoek heel erg kort voor de zitting ingediend en ten derde had de adviseur na het eerste uitstel geen maatregelen getroffen om ervoor te zorgen dat hij in voorkomend geval een vervanger heeft dan wel dat de belastingplichtige zelf zijn eigen zaak kon bepleiten. Volgens de adviseur had wel uitstel moeten worden verleend en ook is hij het niet eens met de motivering van het hof. Hij gaat daarom in cassatie.
De A-G heeft nu een conclusie genomen en adviseert de Hoge Raad de adviseur in het gelijk te stellen. De A-G vindt de reden voor het uitstel van de adviseur, een bezoek aan zijn zieke moeder, voldoende gewicht hebben om uitstel te verlenen. Dat het uitstel kort voor de zitting is aangevraagd is verklaarbaar als men te maken heeft met een plotseling opgekomen of onverwacht verergerde ziekte. Daarbij komt dat van een klein kantoor van fiscale rechtsbijstandverleners, zoals advocaten, belastingadviseurs of accountants, niet zonder meer mag worden verlangd dat men in staat is in plaats van de oorspronkelijke gemachtigde een vervanger naar een voorziene zitting te sturen. Met name wanneer het gaat om in feitelijk of juridisch opzicht ingewikkelde zaken of om verschijning op korte termijn. Volgens de A-G heeft het hof het verzoek om uitstel onvoldoende gemotiveerd en dus onterecht afgewezen. Het woord is nu aan de Hoge Raad.
Bron: Conclusie A-G 01-07-2010, nr. 09/04360 (LJN: BN3529)
naar boven