Partners: één woning = hoofdverblijf

Onlangs bevestigde de Hoge Raad dat fiscale partners volgens de wet maar één hoofdverblijf in aanmerking kunnen nemen, ook als de partners feitelijk niet hetzelfde hoofdverblijf bewonen. Als er meerdere woningen zijn die als hoofdverblijf kunnen aanmerken, moeten zij bij de aangifte kiezen welke van die woningen als hoofdverblijf wordt aangemerkt.
Het ging in deze zaak om een man die was getrouwd en samen met vrouw en kinderen in de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven op het adres a-straat 1 in Z. In het betreffende jaar 2003 dreef hij op dat adres een belastingadviesbureau. Zijn vrouw runde in dat jaar op het adres c-straat 1 te Q een theehuis. De man en zijn vrouw waren gezamenlijk eigenaar van beide huizen. In zijn aangifte gaf de man aan dat hij eigenlijk woonde in de c-straat en hij rekende deze woning – naast de woning op het adres a-straat – tot zijn eigen woning.
Het hof had al vastgesteld dat de man en vrouw niet duurzaam gescheiden leefden. Volgens de man hoefde dit niet te betekenen dat dan meteen sprake was van een gezamenlijk woonadres. Maar de Hoge Raad ging daar niet in mee. Volgens de wet kunnen echtgenoten die niet duurzaam gescheiden leven, maar één woning als hoofdverblijf in aanmerking nemen.
Let er overigens op dat de regels voor fiscaal partnerschap zijn gewijzigd per 1 januari 2011. Regel blijft dat een echtpaar maar één woning als hoofdverblijf kunnen aanmerken. Maar het moment waarop het fiscaal partnerschap eindigt, is gewijzigd. Dit is niet meer het moment van duurzaam gescheiden leven, maar het moment waarop er een verzoek tot scheiding is ingediend bij de rechter en de man en vrouw niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven.


HR 10-06-2011, nr. 10/04243 (LJN: BQ7623)