De Belastingdienst kan een belastingadviseur via de rechter dwingen gegevens te verstrekken over zijn cliënten. Dat is althans de mening van de voorzieningenrechter in Amsterdam.
Naar aanleiding van een huiszoeking bij één van de familieleden en een boekenonderzoek bij zijn vennootschap heeft de Belastingdienst het vermoeden dat een familie beschikte over niet bij de Belastingdienst opgegeven buitenlandse beleggingsportefeuilles. Bij de huiszoeking werden geanonimiseerde overzichten van beleggingsportefeuilles aangetroffen met een waarde van € 14.067.187 gedateerd in maart 2000. Naar aanleiding hiervan zijn in december 2006 (navorderings)aanslagen IB 2001 tot en met 2005 opgelegd. De familie heeft een belastingadviseur en een advocaat van Van Doorne ingeschakeld om zich bij de Belastingdienst te laten vertegenwoordigen. Hiertoe worden schriftelijke machtigingen afgegeven. Nadat de belastingadviseur en de advocaat er niet in slagen om overeenstemming te bereiken over schikking, worden de machtigingen ingetrokken. In december 2009 verzoekt de Belastingdienst de belastingadviseur om inzage in het belastingdossier van de familie. De inzage wordt geweigerd op grond van een verschoningsrecht. In een telefoongesprek met de inspecteur heeft de advocaat laten vallen dat er een handgeschreven brief is waarin informatie wordt verstrekt over de vermogenspositie en de effectenportefeuille van de familie. De Belastingdienst besluit via de rechter, op straffe van een dwangsom, de gegevens bij het kantoor op te vragen. Eerder heeft de Belastingdienst bij de familie bot gevangen. Volgens de voorzieningenrechter heeft de Belastingdienst voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. De Belastingdienst heeft de gegevens nodig om tot een juiste belastingheffing te komen. De belastingadviseur beschikt over een informeel verschoningsrecht. Hij dient zelf aan te geven welke stukken onder het informele verschoningsrecht vallen. Feit is echter dat de familie op grond van de wet gegevens en inlichtingen dient te verstrekken welke voor hun belastingheffing van belang kunnen zijn. Daaronder vallen ook de gegevens over buitenlandse beleggingsportefeuilles. De Belastingdienst mag de gegevens, waarvan zij weet dat zij aan de belastingadviseur zijn verstrekt, opvragen bij de adviseur. De familie had deze gegevens immers zelf moeten verstrekken. De voorzieningenrechter veroordeelt de belastingadviseur daarom om binnen dertig dagen de brief bestaande uit vijftien handgeschreven vellen ter inzage te geven, zo nodig met weglating van passages die onder het verschoningsrecht vallen en inzage te geven in het dossier van de familie voor zover het informeel verschoningsrecht daarop niet van toepassing is.
Rb. Amsterdam 06-10-2011, nr.494616/KG ZA 11-1080 (LJN: BT6955)