Als de Belastingdienst en de belastingrechter niet binnen een redelijke termijn oordelen over een belastinggeschil, heeft de belanghebbende in beginsel recht op vergoeding van de (im)materiële schade. Zo oordeelde de Hoge Raad in een recente zaak waarin een uitzendbureau op 26 april 2004 een naheffingsaanslag loonheffingen inclusief vergrijpboete had ontvangen. Het uitzendbureau maakte bezwaar, maar de fiscus deed pas op 6 juli 2007 uitspraak. Het uitzendbureau vond dat de uitspraak op het bezwaar te lang had geduurd en eiste in een beroepsprocedure een schadevergoeding. Uiteindelijk oordeelde de Hoge Raad dat de fiscus of de rechter op grond van het rechtszekerheidsbeginsel binnen een redelijke termijn moet oordelen over belastinggeschillen. Aan de hand van Europese rechtspraak concludeerde de Hoge Raad dat de belanghebbende bij overschrijding van de redelijke termijn een vergoeding van immateriële schade (spanning en frustratie) kan eisen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De desbetreffende termijn begint op de dag waarop de inspecteur het bezwaarschrift ontvangt. Bij overschrijding van de redelijke termijn geldt een schadevergoeding van € 500 per halfjaar (afronding naar boven) dat de redelijke termijn is overschreden. Vervolgens verwees de Hoge Raad de zaak naar een ander hof om te oordelen of de fiscus een schadevergoeding moet betalen, en zo ja hoeveel.
HR 10-06-2011, nr. 09/02639 (LJN: BO5046)
HR 10-06-2011, nr. 09/05112 (LJN: BO5080)
HR 10-06-2011, nr. 09/05113 (LJN: BO5087)
naar boven