Doordat de directeur van een bv ten onrechte heeft aangegeven dat de RUS is uitgesteld, heeft hij onjuiste informatie verstrekt aan zijn adviseur en is er een onjuiste aangifte gedaan. Deze onjuiste aangifte is te wijten aan de directeur, daarmee is de aan hem opgelegde vergrijpboete van 50% dan ook terecht opgelegd.
De directeur-grootaandeelhouder (dga) van een bv heeft in 1993 met zijn bv een overeenkomst gesloten waarin de betaling van een deel van het salaris over 1993 wordt uitgesteld tot 1 oktober 2003. Uit de jaarstukken van de bv blijkt jaarlijks onder de naam Reserve Uitgesteld Salaris (RUS) een bedrag te zijn gepassiveerd. Ultimo 2003 staat dit bedrag nog steeds op de balans. In de in 2005 ingediende aangifte IB 2003 wordt het uitgestelde salaris niet aangegeven. De inspecteur heeft daarom bij vaststelling van de aangifte het inkomen uit werk en woning verhoogd met het bedrag van het uitgestelde salaris. Daarnaast heeft de inspecteur bij beschikking een vergrijpboete opgelegd van € 8.259, 50% van het bedrag van de te betalen belasting. Tegen deze beschikking heeft de dga bezwaar gemaakt. Tijdens een zitting voor de rechtbank heeft de adviseur van de dga aangegeven dat de aangifte in concept met de dga is besproken en dat in die bespreking de RUS aan de orde is gekomen. De dga heeft daarop medegedeeld dat de uitbetaling van de RUS is uitgesteld. Volgens de dga zijn de stukken die betrekking hebben op het uitstel van de RUS bij een brand in zijn woning verloren gegaan. Vastgesteld wordt dat de woning van de dga inderdaad verloren is gegaan door brand. Tijdens een latere zitting geeft de dga echter aan dat de RUS nooit is uitgesteld en dat hij zich in die bewoordingen ook niet heeft uitgelaten tegenover de adviseur en dat de RUS in die bespreking niet aan de orde is geweest. Voor de rechtbank en vervolgens het hof is het de vraag of de boete terecht is opgelegd.
Hof Den Bosch geeft allereerst aan dat de inspecteur moet bewijzen dat er door de dga opzettelijk onjuist of onvolledig aangifte is gedaan. De rechters geloven de tweede verklaring van de dga dat de RUS nooit is uitgesteld. Het bedrag van de RUS moet dan ook worden toegerekend aan het jaar 2003. Het hof hecht ook geloof aan de verklaring van de adviseur waarin hij heeft aangegeven de RUS ter sprake te hebben gebracht tijdens de bespreking van concept aangifte. Hieruit volgt dat de dga tegenover zijn adviseur niet de waarheid heeft gesproken voor wat betreft het nader uigesteld zijn van de RUS. Het hof vermoed dat de dga belastingheffing over de RUS in 2003 wilde voorkomen. Daarmee is het aan de opzet van de dga te wijten dat de aangifte IB 2003 onjuist dan wel onvolledig is gedaan. De vergrijpboete is daarmee terecht opgelegd.
De Hoge Raad heeft deze uitspraak zonder nadere motivering bekrachtigd.