Pilotenopleiding en aftrek kosten levensonderhoud

Als een kind een opleiding volgt waarvoor geen recht op studiefinanciering bestaat, heeft de ouder in beginsel in de aangifte recht op een (forfaitaire) aftrek van de kosten van levensonderhoud van het kind. Dit is anders als het kind een lening heeft afgesloten om in zijn levensonderhoud te voorzien.
In 2005 is de zoon van belastingplichtige gestart met een pilotenopleiding. Voor deze opleiding heeft de zoon geen recht op studiefinanciering. Daarom heeft hij een studielening afgesloten bij een bank. Daarnaast heeft hij gebruik gemaakt van de mogelijkheid om bij dezelfde bank een lening ter bekostiging van zijn levensonderhoud af te sluiten. De zoon beschikt in 2006 zelf niet over eigen vermogen of een inkomen. Zijn vader verzoekt in zijn aangifte IB 2006 om aftrek van uitgaven wegens levensonderhoud kinderen. De inspecteur is het met deze aftrek niet eens. Nadat de rechtbank zich ten gunste van de vader heeft uitgesproken, stapt de inspecteur naar het hof.
Dat er voor uitgaven voor levensonderhoud aan kinderen een recht op aftrek bestaat, als een kind in belangrijke mate door de ouder wordt onderhouden, staat buiten kijf. Ook staat vast dat de zoon geen recht heeft op een prestatiebeurs volgens de Wet studiefinanciering. Om voor de geclaimde aftrek in aanmerking te komen moet er sprake zijn van op de vader drukkende kosten en moet vader zich redelijkerwijs gedrongen hebben kunnen voelen tot het doen van uitgaven die zijn zoon in staat stellen een bestaan te voeren overeenkomstig zijn plaats in de samenleving. Daarbij tellen het inkomen en vermogen van de zoon mee.
In 2006 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de mogelijkheid voor een student om een studielening aan te gaan er in beginsel niet aan in de weg dat de ouder zich redelijkerwijs gedrongen kan voelen om bij te dragen in het levensonderhoud van het studerende kind. In dit geval heeft de zoon echter, naast zijn studielening, een lening afgesloten om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien. Deze lening moet dan ook worden meegenomen als inkomen van de zoon. De vader kan niet overtuigend aantonen dat er nog een bedrag aan kosten van levensonderhoud van de zoon resteert, waardoor hij zich redelijkerwijs gedrongen voelde tot het doen van uitgaven van levensonderhoud voor de zoon.


Hof Arnhem 11-01-2011, nr. 10/00161 (LJN: BP1616)