In antwoord op Kamervragen heeft staatssecretaris Weekers van Financiën toegezegd dat de aanvullende RVU-heffing op oude stamrechten met terugwerkende kracht tot 1 januari 2011 wordt ingetrokken. Alleen wanneer er aantoonbaar sprake is van een ongebruikelijke voorfinanciering die samenhangt met de verhoging van het VUT-tarief per 1 januari 2011, blijft de heffing van kracht.
Begin dit jaar meldde werkgeversvereniging AWVN dat in de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2011 onverwacht een bepaling (art.12.2a URLB 2011) was opgenomen, die er toe leidt dat een inhoudingsplichtige verzekeraar alsnog, over de vanaf 1 januari 2011 nog niet ingegane stamrechtuitkeringen, een aanvullende eindheffing verschuldigd is van 26%, zodat feitelijk wordt bijgeheven tot 52%. Naar aanleiding van dit bericht zijn in de Kamer vragen gesteld.
In zijn beantwoording gaat de staatssecretaris in op de achtergrond van de betreffende bepaling.
Om cumulatie van VUT-heffingen te voorkomen als een VUT-regeling door een andere inhoudingsplichtige dan de werkgever wordt uitgevoerd (bijvoorbeeld een verzekeraar), is met een anticumulatiebepaling geregeld dat bij de verzekeraar geen VUT-heffing plaatsvindt voor zover al VUT-heffing is geheven over de werkgeversbijdrage aan de verzekeraar (saldomethode). De Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001 bepaalde dat de VUT-heffing wel geheven zou worden als nog voor de invoering van de VUT-heffing een werkgeversbijdrage aan de verzekeraar is betaald. In dat geval heeft namelijk geen VUT-heffing over de werkgeversbijdrage plaatsgevonden. De anticumulatiebepaling zou er dan toe leiden dat er ten onrechte geen VUT-heffing plaatsvindt.
Artikel 12.2a van de URLB 2011 heeft een vergelijkbare strekking en beoogt te voorkomen dat toepassing van de anticumulatiebepaling tot een onbedoeld voordeel leidt. Hiervan is sprake bij constructies waarbij een ongebruikelijke voorfinanciering heeft plaatsgevonden om met behulp van de anticumulatiebepaling het per 1 januari 2011 voor de VUT-heffing geldende tarief van 52% te ontlopen. De formulering van dit artikel heeft echter ook gevolgen voor situaties waarin geen sprake is van oneigenlijk gebruik. Dat is volgens de staatssecretaris uiteraard niet beoogd. Dit artikel wordt daarom met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2011 aangepast, zodat het alleen van toepassing is als aantoonbaar sprake is van een ongebruikelijke voorfinanciering in verband met de verhoging van het tarief van de VUT-heffing.