AG: Inspecteur moet ongebruikelijkheid aantonen

Een ondernemer moet aantonen dat hij of zij voldoende uren heeft gemaakt om te voldoen aan het urencriterium, wil hij of zij in aanmerking komen voor de zelfstandigenaftrek. De ondernemer moet ook aantonen dat de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn. Volgens AG Niessen is de fiscus echter in de beste positie om aan te geven of een samenwerkingsverband ongebruikelijk is.
Advocaat-generaal Niessen komt tot die conclusie in een zaak die draait om de vraag of de verrichte werkzaamheden van hoofdzakelijk ondersteunende aard zijn en of het ongebruikelijk is dat een dergelijk samenwerkingsverband tussen niet-verbonden personen wordt aangegaan. Een vrouw heeft samen met haar man en zoon een installatiebedrijf in de vorm van een VOF. De hoeveelheid uren die de vrouw in de firma heeft meegedraaid staan niet ter discussie. Op basis van het aantal gewerkte uren voldoet zij aan het urencriterium. Daar het een samenwerkingsverband tussen verbonden personen betreft, moet beoordeeld worden of de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en of het samenwerkingsverband ook tussen derden tot stand zou komen.
Rechtbank Leeuwarden is met de onderneemster van mening dat de werkzaamheden niet hoofdzakelijk van ondersteunende aard zijn en het samenwerkingsverband niet ongebruikelijk is. Hof Leeuwarden vindt echter dat de vrouw niet heeft aangetoond dat de werkzaamheden niet hoofdzakelijk ondersteunend waren omdat de opsomming van werkzaamheden niet wordt onderbouwd met het aantal uren per activiteit. Ook heeft de vrouw niet aangetoond dat het gebruikelijk is dat een samenwerkingsverband/VOF is aangegaan.
De AG overweegt dat het volgens de regels van het fiscale bewijsrecht op de weg van de fiscus ligt om het bewijs te leveren dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Dit is niet een persoonlijke aangelegenheid van de belastingplichtige maar betreft macro-economische data, al dan niet per branche, ten aanzien waarvan de Belastingdienst, veel meer dan een individu of onderneming, kennis draagt. Als een belastingplichtige een vermoeden van gebruikelijkheid van het samenwerkingsverband aannemelijk kan maken, moet de inspecteur, bijvoorbeeld met kwantitatieve gegevens, aantonen dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.


Conclusie AG Niessen 28-09-2010, CPG 10/00485 (LJN: BO0431)