Om te bepalen of fictief loon in aanmerking moet worden genomen dienen alle beloningselementen te worden meegeteld. Alleen het verschil in brutoloon dat een werknemer in dezelfde positie verdient, is daarvoor niet voldoende.
Een bv exploiteert een tandartspraktijk. Een van de tandartsen, die werkzaam is in de praktijk, is tevens één van de dga’s van de bv. Naast de tandarts/dga is er nog een andere tandarts in dienst van de bv. Het brutoloon van de tandarts/dga bedroeg in de jaren 2003, 2004 en 2005 respectievelijk € 69.806, € 106.174 en € 107.387. Naast het brutoloon werden aan de tandarts/dga aanspraken ingevolge van een pensioenregeling toegekend, werd aan hem, mede voor privédoeleinden een auto ter beschikking gesteld en kreeg hij een vergoeding voor scholings- en representatiekosten. De andere tandarts ontving in dezelfde jaren respectievelijk € 96.893, € 136.502 en € 131.356 aan brutoloon. Naar aanleiding van de verschillen in het brutoloon heeft de inspecteur aan de bv een naheffingsaanslag loonbelasting met heffingsrente opgelegd. Nadat zijn bezwaar en beroep bij de rechtbank zijn afgewezen, stapt de tandarts naar Hof Den Bosch.
Vaststaat dat de tandarts/dga een aanmerkelijk belang (ab) in de bv heeft. Vraag is of de regeling voor fictief loon moet worden toegepast. Het is aan de inspecteur om aannemelijk te maken dat er sprake is van soortgelijke dienstbetrekkingen, waarbij het ab geen rol speelt, in het economisch verkeer waardoor de tandarts/dga een hoger loon diende te krijgen dan hij nu heeft gekregen. De inspecteur heeft alleen gewezen op het brutoloon dat de andere tandarts heeft ontvangen. De bv wijst er echter op dat overige beloningselementen (pensioen, auto en kostenvergoeding) niet aan de andere tandarts zijn toegekend. Daardoor wordt volgens het hof het verschil in uitgekeerde brutoloonbedragen door de tandarts/dga en de andere tandarts ruimschoots verklaard. De bv wordt in het gelijk gesteld en de naheffingsaanslag wordt vernietigd.
naar boven