Belastingplichtige moet bewijs leveren

Een belastingplichtige moet zelf aannemelijk maken dat sprake is van werkzaamheden die meetellen voor het urencriterium en dat de deelname aan een samenwerkingsverband niet ongebruikelijk is. De Hoge Raad is van mening dat het niet aan de inspecteur is om de ongebruikelijkheid van een samenwerkingsverband aan te tonen.
Advocaat-generaal Niessen gaf in zijn conclusie aan dat het volgens de regels van het fiscale bewijsrecht op de weg van de fiscus ligt om het bewijs te leveren dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband. Dit is niet een persoonlijke aangelegenheid van de belastingplichtige maar betreft macro-economische data, al dan niet per branche, ten aanzien waarvan de Belastingdienst, veel meer dan een individu of onderneming, kennis draagt. Als een belastingplichtige een vermoeden van gebruikelijkheid van het samenwerkingsverband aannemelijk kan maken, moet de inspecteur, bijvoorbeeld met kwantitatieve gegevens, aantonen dat sprake is van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.
De Hoge Raad is het niet met die conclusie eens en geeft aan dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat een belastingplichtige zelf aannemelijk moet maken dat werkzaamheden meetellen voor het urencriterium. Daarbij moet hij of zij ook aannemelijk maken dat de deelname aan een samenwerkingsverband met familieleden of huisgenoten niet ongebruikelijk is. In een eerder arrest heeft de Hoge Raad al aangegeven dat een samenwerkingsverband niet ongebruikelijk is als de vennoot zich voor meer dan 30% van de werktijd bezighoud met de kernactiviteiten van de onderneming. In dat geval is het samenwerkingsverband tussen beide vennoten op voet van gelijkheid aangegaan en leveren beide vennoten een belangrijke bijdrage aan de omzet en/of brutowinst. Ook als beide vennoten de onderneming zelfstandig kunnen voortzetten is er geen sprake van een ongebruikelijk samenwerkingsverband.
Daarnaast heeft de wetgever juist beoogd in geval van samenwerkingsverbanden tussen met elkaar verbonden persoenen de ondernemersfaciliteiten slechts in uitzonderlijke gevallen toe te kennen en wel in die gevallen waarin ondanks het ondersteunende karakter van de werkzaamheden van een van de betrokken personen niettemin tussen onafhankelijke derden een dergelijk samenwerkingsverband wordt aangegaan.
 


HR 28-01-2011, nr. 10/00485 (LJN: BO0431)
HR 19-12-2008, nr. 43 075 (LJN: AZ9096)