Feitelijk verblijf is beslissend

Perioden van feitelijk verblijf in het buitenland, waarin een belastingplichtige fiscaal wel als inwoner van Nederland wordt aangemerkt, kunnen niet in mindering worden gebracht op de looptijd van de 30%-regeling. Voor uitleg van de term verblijven moet worden aangesloten bij het spraakgebruik.
Een Fransman werkt sinds 1 oktober 1997 in Nederland en verzoekt om toepassing van de 35%-regeling (sinds 1 januari 2001: 30%-regeling). De inspecteur verleent goedkeuring voor het toepassen van de regeling van 1 oktober 1997 tot en met 30 september 2007. In 2001 wordt de Fransman voor de periode van 1 december 2001 tot en met 31 december 2003 uitgezonden naar een groepsmaatschappij in Singapore. In die tijd ontvangt hij salaris van de werkgever in Singapore. Voor dat inkomen wordt hij in Singapore in de belastingheffing betrokken. De 30%-regeling is in die tijd niet toegepast. Tijdens die periode wordt hij als inwoner van Nederland aangemerkt omdat zijn partner in de woning in Nederland blijft wonen. In de periode van 1 december 2005 tot en met 15 april 2007 wordt de Fransman weer naar Singapore uitgezonden. Dit keer heeft hij Nederland metterwoon verlaten en wordt hij voor fiscale doeleinden niet langer als inwoner van Nederland aangemerkt. Op 16 april 2007 keert hij in Nederland terug. In juli 2007 wordt door de Fransman en zijn werkgever wederom verzocht om verlenging van de looptijd van de 30%-regeling. De inspecteur wijst het verzoek toe voor de tweede uitzendperiode.
De Fransman is het hier niet mee eens en stapt naar de rechtbank. De vraag is of de eerste uitzendperiode, toen de man feitelijk niet in Nederland verbleef maar fiscaal nog wel als inwoner van Nederland werd aangemerkt, meetelt voor de kortingsregeling van de 30%-regeling. Volgens de rechtbank moet de term verblijven worden aangeduid zoals dat in het spraakgebruik gebruikelijk is. Omdat de man tijdens die periode niet in Nederland verbleef, is de kortingsregeling op die periode niet van toepassing. De staatssecretaris is het niet eens met de uitspraak en stapt naar de Hoge Raad. Ons hoogste rechtscollege is het echter eens met de uitleg van de rechtbank dat voor uitleg van de term verblijven moet worden gekeken naar het spraakgebruik. Dit sluit aan bij de term feitelijk verblijf die later in de regeling wordt genoemd. De eerste periode van de uitzending naar Singapore mag daarom ook volgens de Hoge Raad niet in mindering worden gebracht op de looptijd van de 30%-regeling.


HR 07-10-2011, nr. 10/01385 (LJN: BT6820)
Rb. Den Haag 24-02-2010, nr. AWB 08/3512 IB/PVV (LJN: BL7858)