Fierensmarge van tafel

De Fierensmarge mag niet meer worden toegepast omdat deze bepaling in strijd is met het Europese Verdrag. De uitsluiting van iedere vorm van effectief verweer tegen een onrechtmatige aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom, kan niet worden aanvaard. De Hoge Raad komt daarmee terug op een eerdere uitspraak uit februari 2008.
De Fierensmarge (art. 26a Wet WOZ) is in 2005 ingevoerd om beroepszaken over kleine geschillen in de sfeer van de Wet WOZ te voorkomen. De bepaling (genoemd naar de indiener van het voorstel) houdt in dat de vastgestelde waarde van een onroerende zaak geacht wordt juist te zijn, als de afwijking tussen de vastgestelde waarde en de werkelijke waarde van die zaak, binnen een bepaalde omschreven marge blijft. Kortom, als een wijziging binnen de marge blijft, wordt het bezwaar tegen de WOZ-beschikking afgewezen.
Aanleiding van de beslissing is de volgende zaak. De WOZ-waarde van een woning is door de gemeente vastgesteld op € 99.000. Uiteindelijk komen de eigenaar en de heffingsambtenaar overeen dat de waarde € 95.000 zou moeten bedragen. De heffingsambtenaar handhaaft desalniettemin de WOZ-waarde op €99.000 in verband met de Fierensmarge. De eigenaar legt zich hier niet bij neer en komt uiteindelijk bij de Hoge Raad. Voorafgaand aan diens uitspraak heeft advocaat-generaal Van Ballegooijen geconcludeerd dat de eigenaar in het gelijk moet worden gesteld omdat de Fierensmarge in strijd is met het recht op ongestoord genot van eigendom. Dit recht is vastgelegd in Europees Verdrag.
De Hoge Raad volgt de conclusie van de AG. Volgens het Eerste Protocol bij het Europese Verdrag moet tegenover een maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, een procedurele garantie staan die de betrokkene een redelijke mogelijkheid biedt om de maatregel te betwisten. De uitsluiting van iedere vorm van effectief verweer tegen een onrechtmatige aantasting van het recht op ongestoord genot van eigendom kan niet worden aanvaard op grond van het streven van de wetgever om de werklast voor de gemeenten en de rechter in belastingzaken te verminderen. Ook het feit dat het over geringe bedragen gaat is geen rechtvaardiging voor een categorische uitsluiting van een effectief rechtsmiddel. Te meer omdat de beschikking met de vastgestelde WOZ-waarde gevolgen heeft voor de hoogte van diverse belastingen. Daardoor kan de belasting in een jaar oplopen tot bedragen die van meer dan geringe omvang zijn. De Fierensmarge mag daarom door het bestuursorgaan en de rechter in alle gevallen niet meer worden toegepast. De Hoge Raad komt daarmee terug op een beslissing uit februari 2008.


HR 22-10-2010, nr. 08/02324(LJN: BL1943)
HR 15-02-2008, nr. 43 934 (LJN: BC4335)