De ontvanger handelde ernstig onzorgvuldig bij het (toekennen en) intrekken van een betalingskorting op een voorlopige aanslag Vpb, waardoor de belastingplichtige onnodig kosten moest maken. Volgens rechtbank Haarlem is een integrale proceskostenvergoeding dan op zijn plaats.
Een vennootschap ontvangt in mei 2006 een voorlopige aanslag Vpb, waarbij een betalingskorting wordt verleend van € 11.985 bij betaling voor de eerste vervaldatum. De vennootschap betaalt voor die datum.
Op het moment van afgifte van de voorlopige aanslag was bij de fiscus bekend dat bij een gebroken boekjaar – zoals bij de vennootschap het geval is – het rekenprogramma een fout maakt bij de berekening van de betalingskorting.
Bij beschikking van 6 augustus 2007 wordt de verleende betalingskorting ingetrokken en opnieuw vastgesteld op nihil. De belanghebbende is het hier niet mee eens en tekent vergeefs bezwaar aan.
Voor de rechtbank betoogt de vennootschap dat de ontvanger de beschikking van 6 augustus 2007 nooit had mogen afgeven, omdat hiervoor een wettelijke grond ontbreekt. De ontvanger voert aan dat op grond van de Awb de mogelijkheid bestaat om een voor een belastingplichtige kenbare fout met een nieuwe beschikking te herstellen, maar blijkt desgevraagd niet in staat aan te geven aan welke bepaling in de Awb of een andere wet hij deze bevoegdheid ontleent. De rechter overweegt dat belastingen worden geheven op basis van de wet en dat een eenmaal vastgestelde beschikking ten nadele van de belastingplichtige alleen kan worden herzien als hiervoor een expliciete wettelijke grondslag bestaat. De Invorderingswet voorziet wel in de mogelijkheid om een verleende betalingskorting te verminderen. Maar dat betreft een betalingskorting voor een aanslag die later wordt verminderd, waarbij over het bedrag van de vermindering van de aanslag de korting worden teruggenomen. De bevoegdheid om op een andere grond een eenmaal verleende betalingskorting terug te nemen is nergens gegeven, noch in de Iw, noch in de Awb, noch in enige andere wettelijke bepaling. De vennootschap vraagt om een integrale proceskostenvergoeding. Dit verzoek wordt door de rechter toegewezen. Door het zeer onzorgvuldig handelen van de ontvanger (in 2006 was hij bekend met de rekenfout maar ondernam geen maatregelen, voor de beschikking van 6 augustus 2007 ontbrak een wettelijke grond) werd de belastingplichtige onnodig op kosten gejaagd.
naar boven