Een ontslaguitkering is pas inbaar en dus belast op het moment dat de werknemer, binnen een redelijke termijn, heeft gekozen op welke wijze hij zijn ontslaguitkering wil aanwenden.
Een werknemer wordt door zijn werkgever in oktober 1996 op staande voet ontslagen. De werkgever wordt vervolgens veroordeeld tot doorbetaling van het loon. Om te voorkomen dat het dienstverband na de ontslagdatum nog voortduurt, ontbindt de rechtbank in Brielle de overeenkomst met ingang van 1 februari 2000 en kent een ontslagvergoeding toe aan de werknemer. Begin 2002 worden werkgever en werknemer het eens over het uit te keren bedrag. Uiteindelijk besluit de werkgever eind 2003 op welke wijze hij de vergoeding wenst te ontvangen. Omdat hij over voldoende ouderdagarrangementen beschikt, wil hij dat het bedrag contant wordt uitgekeerd. Het bedrag is in januari 2004 door de werkgever gestort op de derdenrekening van de advocaat van de werknemer na inhouding van loonbelasting.
De inspecteur corrigeert de aangifte IB 2004 van de werknemer met het bedrag van de ontslaguitkering. De werknemer is echter van mening dat de ontslaguitkering in zijn aangifte IB 2002 had moeten worden verwerkt. Vraag is op welk tijdstip de uitkering inbaar is.
Uit de stukken blijkt dat er geen directe uitbetaling van de ontslaguitkering heeft plaatsgevonden omdat de werknemer zich wilde beraden over de aanwending van het bedrag van de uitkering. Hij overwoog om de uitkering vrijgesteld om te zetten in een recht op periodieke uitkeringen. Buiten kijf staat dat de werknemer het recht heeft om te kiezen op welke wijze hij de uitkering wil ontvangen. Hierdoor wordt echter verhindert dat de ontslaguitkering direct in de heffing van de inkomstenbelasting wordt betrokken. Dat betekent dat in beginsel geen sprake is van inbaarheid zolang de werknemer zijn keuze niet heeft betaald. De rechtszekerheid en tijdige belastingheffing brengen echter mee dat de keuze binnen een redelijke termijn moet worden gemaakt. Naar mening van Hof Den Haag was die redelijke termijn eind 2003 nog niet verstreken. De uitkering is in januari 2004 inbaar geworden omdat de werkgever enige tijd nodig had om de uitkering in de salarisadministratie te verwerken. Een en ander getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting, de uitkering moet dan ook in 2004 in de belastingheffing worden betrokken.
HR 11-11-2011, nr. 10/02319 (LJN: BQ2930)
Hof Den Haag 23-04-2010, nr. 09/00311 (LJN: BM4279)
naar boven