Laat opgelegde aanslag was toch tijdig

Binnen de Belastingdienst geldt het beleid dat binnen drie maanden na het indienen van de aanslag inkomstenbelasting een (negatieve) voorlopige of definitieve aanslag wordt opgelegd. Is de inspecteur daarmee echter later, dan kan de belastingplichtige daartegen geen bezwaar maken. De inspecteur heeft tot drie jaar na het indienen van de aangifte de tijd om een aanslag op te leggen.
Dit bleek onlangs bij de Hoge Raad. In deze zaak had de belastingplichtige op 30 juni 2006 aangifte inkomstenbelasting gedaan voor het jaar 2005. Als de inspecteur deze aangifte zou volgen, kreeg de belastingplichtige geld terug. Omdat de man het erg lang vond duren voordat hij een voorlopige of definitieve aanslag kreeg opgelegd (en zijn geld ontving), maakte hij op 7 december 2007 bezwaar wegens het uitblijven van een aanslag. Er zou sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit en de belastingplichtige eiste een kostenvergoeding. Op 4 april 2008 werd alsnog een aanslag opgelegd en enkele dagen later liet de inspecteur weten het door de belastingplichtige ingenomen standpunt niet te delen, en het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De inspecteur stelde dat hij drie jaar de tijd heeft een aanslag op te leggen.
De zaak kwam voor de rechter en uiteindelijk kreeg de inspecteur gelijk van de hoogste belastingrechter. De Hoge Raad gaf aan dat de wettelijke bepaling over het niet tijdig nemen van een besluit niet alleen ziet op beschikkingen op aanvraag, maar ook op ambtshalve te nemen besluiten. Ook bij belastingaanslagen kan daarom sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit. Maar voor aanslagen is wettelijk voorgeschreven dat deze binnen drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld moeten zijn vastgesteld. En uit de wetsgeschiedenis volgt dat voor een ambtshalve te nemen besluit pas sprake is van een niet tijdig genomen besluit als dat besluit niet binnen de wettelijke termijn is genomen. Hierbij maakt het niet uit dat het interne beleid van de Belastingdienst een kortere termijn aanhoudt. Nu de aanslag binnen de driejaarstermijn was opgelegd, was het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om kostenvergoeding terecht afgewezen.


HR 24-06-2011, nr. 10/01763 (LJN: BP8929)