Aftrek van indirecte giften

Indirecte betalingen, waarvan vaststaat dat deze ten goede komen aan algemeen nut beogende instellingen, komen in aanmerking voor giftenaftrek. Dat geldt niet voor opgenomen verlofdagen omdat daarbij geen sprake van verarming is.
Een vrijwilliger heeft in 2006 deelgenomen aan een zogenoemde bouwreis. Ten aanzien van de reis heeft de vrijwilliger een aantal kosten als aftrekbare giften in aanmerking genomen in zijn aangifte. Zo heeft hij rekening gehouden met de zes ingeleverde verlofdagen en de kosten voor deelname aan de reis waarvoor een bedrag is ingehouden op zijn salaris. De werkgever heeft € 2.000 aan de organiserende stichting overgemaakt voor deelname aan de reis en een eigen bijdrage van € 450 daarvoor ingehouden op het salaris van de werknemer. De inspecteur is het niet eens met de aftrek.
Volgens de rechtbank blijkt uit de wet dat niet alleen betalingen die rechtstreeks aan instellingen worden gedaan voor aftrek in aanmerking komen. Noch de tekst noch de strekking van de wet verzet zich er tegen dat indirecte betalingen, waarvan vaststaat dat deze ten goede komen aan instellingen, voor aftrek in aanmerking kunnen komen. De vrijwilliger heeft er om praktische redenen voor gekozen om de bijdrage via een inhouding op zijn salaris te voldoen. De eigen bijdrage kan daarmee worden aangemerkt als een gift die in aanmerking komt voor aftrek. De verlofdagen die de vrijwilliger heeft opgenomen zijn niet aan te merken als gift omdat de vrijwilliger door het opnemen van de verlofdagen niet is verarmd. Om te kunnen spreken van een bevoordeling uit vrijgevigheid is vereist dat sprake is van een verarming aan de zijde van degene die de gift doet en dat is hier niet het geval.
 


Rb. Haarlem 17-11-2010, nr. 10/807 (LJN: BO4578)