Geen eenheid over de grens

Een fiscale eenheid tussen een Nederlandse moeder en een buitenlandse dochteronderneming mag verboden worden. Er is geen sprake van strijd met het Europese recht omdat de buitenlandse dochteronderneming voor de belasting van haar winst niet is onderworpen aan de Nederlandse belastingwet.
Het Europese Hof van Justitie heeft deze uitspraak gedaan naar aanleiding van prejudiciële vragen die de Hoge Raad heeft gesteld. Volgens het Hof verzet het Europese Verdrag zich niet tegen de wettelijke regeling van een lidstaat die een moedervennootschap de mogelijkheid biedt om met haar ingezeten dochteronderneming een fiscale eenheid te vormen, doch niet toestaat dat een dergelijke fiscale eenheid wordt gevormd met een niet-ingezeten dochteronderneming omdat laatstgenoemde vennootschap voor de belasting van haar winst niet is onderworpen aan de belastingwet van deze lidstaat. De Hoge Raad vroeg zich af of het verschil in behandeling gerechtvaardigd is gezien de Europese jurisprudentie op dit gebied en in het bijzonder uit hoofde van de handhaving van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.
Advocaat-Generaal Kokott gaf eerder al aan dat het Europese recht naar zijn mening niet aan een dergelijke regeling in de weg staat. Op basis van het territorialiteitsbeginsel komt het recht om de inkomsten van de dochter te belasten toe aan het buitenland waar de dochter is gevestigd. De evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten zou groot gevaar lopen wanneer vennootschappen kunnen opteren voor verrekening van verliezen in hun lidstaat van vestiging dan wel in een andere lidstaat. Doordat een belastingplichtige vrij is om te opteren om deel uit te maken van een fiscale eenheid of deze weer op te heffen, kan een concern kiezen welke belastingregeling van toepassing is op het verlies van de dochter en waar met het verlies rekening wordt gehouden.


HR 07-01-2011, nr. 43 484bis (LJN: BN0900)
EG HvJ 25-02-2010, nr. C-337/08
Belastingzaken 2009, nr. 10, pag. 20