Een binnenlandse moedermaatschappij kan samen met haar binnenlandse kleindochter een fiscale eenheid vormen als de dochtermaatschappij in een andere EU-lidstaat is gevestigd. Het gevaar van dubbele verliesverrekening kan volgens Rechtbank Haarlem op een andere manier worden weggenomen.
Een Nederlandse moeder wil met haar in Nederland gevestigde kleindochter, waarin zij middellijk 99% van de aandelen houdt, een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting aangaan. De inspecteur wijst het verzoek echter af. Het belang dat de moedermaatschappij in de kleindochter heeft wordt namelijk gehouden via een in Duitsland gevestigde dochter. Deze dochter heeft geen vaste inrichting in Nederland en kan daarom geen deel uitmaken van de fiscale eenheid. Volgens de Wet Vpb is een van de voorwaarden voor het aangaan van een fiscale eenheid dat bij een middellijk bezit van aandelen de tussenhoudster deel uitmaakt van de fiscale eenheid. Moeder is echter van mening dat deze voorwaarde in strijd is met de vrijheid van vestiging zoals bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens Rechtbank Haarlem beroept moeder zich terecht op discriminatie. Gelet op de doelstelling van de bepalingen van de fiscale eenheid, leidt de wettelijke regeling tot een ongelijke behandeling doordat de zetel van de tussenhoudster zich niet in Nederland bevindt. De rechtbank ziet geen rechtvaardigingsgrond uit hoofde van dwingende redenen van algemeen belang voor de beperking van de vrijheid van vestiging. Het gevaar van binnenlandse dubbele verliesverrekening kan door maatregelen worden ondervangen die de vrijheid van vestiging minder beperken dan door de voorwaarde in de Wet Vpb. Kortom, moeder en kleindochter mogen een fiscale eenheid vormen.
naar boven