Hypotheekrente niet aftrekbaar

Een Nederlandse, die in 1993 op 63-jarige leeftijd het warme klimaat van Curaçao verkiest boven dat van Nederland, beschikt in Nederland over een blok van zeven panden bestaande uit vijf bedrijfsruimten op de begane grond en 19 afzonderlijk verhuurde bovenwoningen. In haar aangifte IB 2001 had ze de panden aangegeven voor een waarde van € 896.450. Op de panden heeft de eigenaresse ook een hypothecaire lening, met in 2001 een saldo van € 907.561; de hypotheekrente in dat jaar bedroeg € 68.067.

Bij de vaststelling van de aanslag gaat de inspecteur voor het box 3-inkomen uit van de door de eigenaresse opgegeven waarde van de panden verminderd met de hypotheekschuld, zodat de gemiddelde rendementsgrondslag voor 2001 nihil is.

De vrouw verschilt met de inspecteur van mening over hoe de hypotheekrente in aanmerking genomen moet worden. Zij meent dat de hypotheekrente als negatief bestanddeel van haar in Nederland belastbare inkomen in aanmerking moet komen. Zij baseert zich daarbij op artikel 23 van de Belastingregeling van het Koninkrijk (BRK). Volgens de inspecteur is met de hypothecaire schuld en impliciet met de renteaftrek voldoende rekening gehouden.

Volgens Hof Den Bosch is, omdat met Wet IB 2001 het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 forfaitair wordt bepaald, impliciet rekening gehouden met de hypotheekrente. Het hof verwerpt het beroep van de belastingplichtige. Ook de Hoge Raad is van oordeel dat de betaalde hypotheekrente in dit geval geacht moet worden te zijn verdisconteerd in het forfaitaire rendement van 4%. Artikel 23 BRK stelt dat schulden en rente over die schulden als negatieve bestanddelen van het vermogen, onderscheidenlijk inkomen worden meegenomen, maar dat belet volgens de Hoge Raad niet dat er nationale bepalingen zijn waarbij de wetgever zich bedient van forfaits en ficties.


HR 21-11-2008, nr. 43 623