Prostitutieconvenant onder vuur

Het convenant dat de Belastingdienst in juni 2008 met de prostitutiebranche heeft gesloten heeft geleid tot Kamervragen. Met name de afspraak dat 20% van het loon van prostituees zal worden aangemerkt als een fiscaal onbelaste onkostenvergoeding ter dekking van beroepskosten wekt bevreemding.

De Kamerleden Omtzigt, De Pater-Van der Meer (beiden CDA) en Cramer (ChristenUnie) vragen naar aanleiding van het artikel 'Fiscus ontziet prostituees' in De Telegraaf de staatssecretaris in hoeverre deze '20%-regeling' voor sekswerkers zich verhoudt tot het gestelde in de Wet op de loonbelasting en de Uitvoeringsregeling loonbelasting ten aanzien van werkkleding. In de informatiemap prostitutiebranche van de Belastingdienst staat omschreven dat de fiscus 20% van het loon van prostituees ziet als een onbelaste onkostenvergoeding voor beroepskosten, zoals reiskosten, attributen, (speciale) kleding, uiterlijke verzorging, enzovoorts. De sekswerkers kunnen deze kosten, net als andere werknemers, niet aftrekken in de inkomstenbelasting.

De Kamerleden vragen wat dit convenant nu betekent voor andere werknemers. Zij noemen het voorbeeld van leden van een orkest die beroepshalve in gepaste kleding moeten verschijnen. Kan bij hen nu ook een deel van hun loon onbelast worden betaald als vergoeding voor beroepskosten? Indien dit niet het geval is, vragen de Kamerleden zich af hoe dit zich verhoudt tot het gelijkheidsbeginsel.

In aanvulling op deze vragen willen de Kamerleden Remkes en Weekers (beiden VVD) graag weten - als het waar is dat 20% van de inkomsten die onder de loonheffing vallen als fiscaal onbelaste onkostenvergoeding wordt aangemerkt - waarop het percentage van 20% is gebaseerd, of er voor andere branches vergelijkbare afspraken zijn gemaakt en wat de eerste mogelijkheid is om het convenant op te zeggen.


Tweede Kamer 17-12-2008, nr. 2008Z09877/2080908180
18-12-2008, nr. 2008Z09877/2080908260