De Hoge Raad heeft uitgemaakt dat de winkelwagentjesmethode moet worden gebruikt ter bepaling van de verschuldigde btw. De daarbij gehanteerde rekenkundige methode heeft een geringere onnauwkeurigheidsmarge dan de productmethode. Ahold heeft daarmee de proefprocedure verloren.
Normaal gesproken wordt de verschuldigde btw berekend aan de hand van het totale btw-bedrag per kassabon (winkelwagentjesmethode). In het kader van de proefprocedure had Ahold in twee supermarkten een berekening gemaakt waarbij het btw-bedrag per artikel werd berekend (productmethode). De aldus berekende btw werd door Ahold vervolgens naar beneden afgerond. Deze bedragen verantwoorde Ahold in haar btw-aangifte. De Belastingdienst accepteerde de afronding naar beneden niet en de zaak kwam, na behandeling door Hof Amsterdam en de Hoge Raad, terecht bij het Europese Hof van Justitie. Deze instantie heeft aangegeven dat er geen Europese regeling voor afronding van btw-bedragen bestaat. Nederland moet de regels en methoden hiervoor zelf vaststellen. De Hoge Raad heeft nu uiteindelijk beslist dat de afronding van getallen volgens de rekenkundige methode de juiste methode is omdat deze methode een geringere onnauwkeurigheidsmarge heeft dan de afronding per product. Daarmee doet de rekenkundige methode meer recht aan het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel. Ook is deze methode praktisch beter uitvoerbaar.
HR 15-05-2009, nr. 41412bis
EG HvJ 14-07-2008, nr. C-484/06
Belastingzaken 2008, nr. 9, pag. 12
naar boven