Onzorgvuldigheid bij voorlopige aanslag

Door zich voor het opleggen van de voorlopige aanslag 2008 uitsluitend te baseren op de gegevens van de voorlopige aanslag 2007, heeft de inspecteur niet de zorgvuldigheid betracht die van hem mag worden verwacht. De dga heeft daarom recht op kostenvergoeding.

Een belastingplichtige kreeg een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2008 opgelegd waarin rekening werd gehouden met een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000. De aanslag was vastgesteld op basis van de bij het opleggen van de aanslag bekende gegevens. In 2007 had de dga eenmalig een dividenduitkering genoten van € 200.000. Daarvoor had hij in 2002 een dividenduitkering genoten van € 450.000. De inspecteur verminderde de voorlopige aanslag na daartegen aangetekend bezwaar, maar weigerde om een kostenvergoeding toe te kennen.

De rechtbank in Den Haag is van mening dat de dga recht heeft op een kostenvergoeding als de voorlopige aanslag wordt herroepen vanwege een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. De inspecteur mag volgens de AWR een voorlopige aanslag opleggen op grond van gegevens gebruikt voor de vaststelling van de meest recente belastingaanslag over het meest recente kalenderjaar. Daarbij moet rekening worden gehouden met wijzigingen die voor de heffing van de belasting van belang kunnen zijn. Volgens de rechtbank beschikt de inspecteur daarmee over een zekere marge. Die marge heeft de inspecteur in dit geval overschreden. Gezien het dividendverleden is de conclusie dat het hier een ongebruikelijke incidentele bate betreft. Daarbij komt dat het tarief voor inkomsten uit aanmerkelijk belang voor 2007 tijdelijk is verlaagd. De inspecteur heeft niet de zorgvuldigheid betracht die van hem mag worden verwacht. De omstandigheid dat het opleggen van voorlopige aanslagen een massaal proces is, is daarbij niet van belang. Op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt de dga een vergoeding van € 805 (€ 161 voor het indienen van het bezwaarschrift en 2 x € 322, één keer voor het indienen van het beroepschrift en één keer voor het verschijnen ter zitting).


Rb. Den Haag 11-06-2009, nr. AWB 08/3994