Volgens de Hoge Raad moet de heffingsrente worden beperkt als de inspecteur niet binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag heeft opgelegd.
Een belastingplichtige ontving negen en een halve maand na het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2004 van de inspecteur de definitieve aanslag. De aanslag was conform aangifte opgelegd en daarbij werd heffingsrente in rekening gebracht. De belastingplichtige was het niet eens met de heffingsrente maar ving bot bij Rechtbank Arnhem en Hof Arnhem. De Hoge Raad was een andere mening toegedaan. Uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat wordt gestreefd naar beperking van heffingsrente voor belastingplichtigen. Met het oog hierop moet, bij belastingen die middels een aanslag worden geheven, binnen drie maanden na het indienen van de aangifte een (voorlopige) aanslag worden opgelegd. Bij voorkeur een definitieve aanslag, maar als dat niet lukt dan in ieder geval een voorlopige aanslag.
Het beleid van de Belastingdienst strekt ertoe om te voorkomen dat heffingsrente wordt berekend als gevolg van de enkele omstandigheid dat de inspecteur niet binnen een redelijke termijn na het indienen van de aangifte een belastingaanslag vaststelt. Dit beleid geldt ook als de belastingplichtige niet om een aanslag heeft verzocht. Als de inspecteur niet in overeenstemming met het beleid handelt, verzet het zorgvuldigheidsbeginsel zich er tegen dat de inspecteur meer heffingsrente in rekening brengt dan in geval het beleid wel was gevolgd. Kortom, de inspecteur mag niet meer heffingsrente in rekening brengen dan de belastingplichtige verschuldigd zou zijn als er bij het einde van de termijn van drie maanden een voorlopige aanslag in overeenstemming met de aangifte zou zijn opgelegd. Dit is alleen anders als de overschrijding van de termijn van drie maanden niet aan de Belastingdienst te wijten is. De belastingplichtige werd daarmee gedeeltelijk in het gelijk gesteld.
naar boven