Hoewel de wil van de belastingplichtige beslissend is als hij een pand als ondernemingsvermogen wil aanmerken, worden de grenzen van de redelijkheid overschreden als het privégedeelte van de woning overheersend is ten opzichte van het gebruik van één werkkamer voor de onderneming.
Een ondernemer maakt deel uit van een samenwerkingsverband dat een administratiekantoor uitoefent. De ondernemer is op 1 januari 2004 met zijn onderneming gestart en wil zijn privéwoning, waarin hij één werkkamer voor zijn onderneming gebruikt, aanmerken als ondernemingsvermogen. De ondernemer gebruikt die werkkamer als uitvalsbasis. Een groot deel van de werkzaamheden wordt op locatie bij cliënten verricht. Naast zijn werkkamer in de privéwoning beschikt de ondernemer ook over een werkruimte in de door het samenwerkingsverband gehuurde kantoorruimte. De inspecteur is het niet eens met de vermogensetikettering en de ondernemer tekent zonder resultaat bezwaar aan en gaat vervolgens in beroep.
Hof Den Bosch stelt voorop dat de wil van de belastingplichtige zoals die in de boekhouding of op ander wijze tot uitdrukking komt, beslissend is voor de etikettering van vermogen, tenzij daardoor de grenzen van de redelijkheid worden overschreden. Op basis van plattegrondtekeningen van de woning is het hof van mening dat het privégedeelte van de woning zodanig overheersend is ten opzichte van het deel van de woning dat voor de onderneming wordt gebruikt, dat de ondernemer de grenzen van de redelijkheid overschrijdt als hij de woning in z'n geheel als ondernemingsvermogen aanmerkt. Daarbij komt dat de ondernemer een substantieel deel van werkzaamheden in de kantoorruimte van het samenwerkingsverband verricht.
naar boven