Geen eenheid over de grens

Geen eenheid over de grens

Advocaat-generaal Kokott bij het Europese Hof van Justitie is van mening dat de Nederlandse regeling, waardoor een buitenlandse dochteronderneming geen fiscale eenheid kan vormen met een Nederlandse moeder, niet in strijd is met het Europese recht. In Belastingzaken 2009, nr. 10 maakten wij in het artikel 'Eenheid over de grens?' al melding van de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen.

De Hoge Raad vraagt zich af of het verschil in behandeling tussen binnenlandse moeder- en dochtermaatschappijen die een fiscale eenheid kunnen vormen en binnenlandse moedermaatschappijen met een dochter in het buitenland die geen fiscale eenheid kunnen aangaan, gerechtvaardigd is gezien de Europese jurisprudentie op dit gebied en in het bijzonder uit hoofde van de handhaving van een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten.

De AG is van mening dat het Europese recht niet aan een dergelijke regeling in de weg staat. Op basis van het territorialiteitsbeginsel komt het recht om de inkomsten van de dochter te belasten toe aan het buitenland waar de dochter is gevestigd. De evenwichtige verdeling van heffingsbevoegdheid tussen lidstaten zou groot gevaar lopen wanneer vennootschappen kunnen opteren voor verrekening van verliezen in hun lidstaat van vestiging dan wel in een andere lidstaat. Doordat een belastingplichtige vrij is om te opteren om deel uit te maken van een fiscale eenheid of deze weer op te heffen, kan een concern kiezen welke belastingregeling van toepassing is op het verlies van de dochter en waar met het verlies rekening wordt gehouden. De voorschriften inzake de verliesverrekening van buitenlandse vaste inrichtingen heeft op grond van de inhaalregeling slechts tijdelijk gevolgen. Vaste inrichtingen en dochterondernemingen in een andere lidstaat bevinden zich niet in een vergelijkbare situatie voor wat betreft de verdeling van de heffingsbevoegdheid.


AG Kokott EG Hof van Justitie 19-11-2009, nr. C-337/08