Als een onroerende zaak door een belastingplichtige wordt aangeschaft met de bedoeling van zowel de belastingplichtige als de aan hem gelieerde vennootschap om die onroerende zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt, dan is - naar oordeel van de Hoge Raad - van terbeschikkingstelling sprake op het moment waarop deze onroerende zaak is aangeschaft.
Een tandarts koopt in 2001 samen met zijn echtgenote een pand met de bedoeling dit te verbouwen tot praktijkruimte en dit vervolgens te verhuren aan de bv waarin hij zijn tandartspraktijk heeft ondergebracht. De tandarts is enig aandeelhouder van de bv. Vooruitlopend op de aangevraagde bouwvergunning wordt in 2001 met de verbouwing gestart. In 2002 ligt de verbouwing stil omdat de vergunning niet wordt afgegeven. Het pand wordt in dat jaar niet door de bv gebruikt en de bv betaalt ook geen gebruiksvergoeding. In 2003 blijkt dat alleen een vergunning wordt afgegeven voor de verbouwing van het pand tot woonhuis annex praktijkpand. Die verbouwing wordt uitgevoerd.
De tandarts en zijn echtgenote willen de kosten die in 2002 voor het pand zijn gemaakt op basis van de terbeschikkingstellingsregeling in mindering brengen op hun inkomen uit werk en woning. De inspecteur is het hier niet mee eens en geeft aan dat het pand pas onder de terbeschikkingstellingsregeling valt als het pand ook feitelijk in gebruik is genomen door de bv. Hof Den Haag en ook de Hoge Raad zijn het hier niet mee eens.
Volgens de Hoge Raad volgt uit de wetsgeschiedenis dat sprake is van terbeschikkingstelling op het moment dat de onroerende zaak wordt aangeschaft en het de gezamenlijke bedoeling van de belastingplichtige en een met hem gelieerde vennootschap is om die zaak in gebruik te geven aan die vennootschap en de zaak voor dat gebruik gereed wordt gemaakt. Is de gezamenlijke bedoeling niet in een overeenkomst neergelegd, dan kan toch sprake van terbeschikkingstelling zijn als de aanschaf en het gereedmaken geschied onder zodanige omstandigheden dat, als de (toekomstige) gebruiker een niet-gelieerde persoon zou zijn geweest, met deze omtrent die aanschaf en het gereedmaken voorafgaand afstemming zou hebben plaatsgevonden. Verder kan bij de aanschaf van een onroerende zaak van terbeschikkingstelling slechts sprake zijn indien vanaf het moment van aanschaf geen andere aanwending van de onroerende zaak plaatsvindt.
naar boven