Door het entiteitsdossier niet (volledig) te raadplegen heeft de inspecteur een ambtelijk verzuim begaan dat aan latere navordering in de weg staat. Er kan geen naheffingsaanslag loonheffing worden opgelegd omdat niet tot betaling van het uitgesteld salaris is overgegaan.
Een dga komt met zijn bv voor de jaren 1992 en 1993 een jaarsalaris overeen van € 68.067. In die jaren besluit de algemene vergadering van aandeelhouders tot uitstel van betaling van dat salaris tot 2000 c.q. 2001. De verplichting wordt vanaf 1992 voor de contante waarde opgenomen op de balans en gedurende de jaren opgerent. In 1996 stelt de inspecteur vragen waarbij ook de reserve uitgesteld salaris aan bod komt.
Het salaris wordt in de jaren 2000 en 2001 niet uitbetaald. Ook wordt in die jaren geen loonbelasting afgedragen. De inspecteur stuurt in april 2005 een vragenbrief over de balanspost 'uit te betalen salaris' op de balans per 31 december 2003. De adviseur van de dga laat weten dat nog niet bekend is wanneer het salaris wordt uitbetaald. Bestuurder en vennootschap zijn overeengekomen dat de uitbetaling wordt uigesteld. Vervolgens laat de inspecteur weten een navorderingsaanslag loonheffing plus 50% boete op te leggen. De boete wordt op 50% gesteld omdat sprake is van opzet.
Voor Hof Amsterdam is het de vraag of er sprake is van een nieuw feit dat navorderen rechtvaardigt. Vast staat dat zich in het vennootschapsbelastingdossier van de belastingplichtige notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders inzake de jaren 1992 en 1993 bevinden. Het vennootschapsbelastingdossier maakt deel uit van het entiteitsdossier. Door het entiteitsdossier niet (volledig) te raadplegen heeft de inspecteur volgens het hof een ambtelijk verzuim begaan dat aan latere navordering in de weg staat. Er is geen sprake van een nieuw feit. Dat het een omvangrijk dossier betreft, zoals door de inspecteur gesteld, waardoor het raadplegen soms wat lastig is en enige tijd vergt, is geen reden om raadpleging achterwege te laten. Dat verschillende belastingen door verschillende medewerkers van de Belastingdienst worden afgehandeld en hun onderlinge afstemming en informatie-uitwisseling niet optimaal is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt volgens het hof niet dat het bedrijf te kwader trouw heeft gehandeld.
naar boven