De verplaatsing door een ondernemer van zijn bedrijf leidt niet tot staking van zijn onderneming indien de identiteit van de onderneming ondanks de verplaatsing ervan wezenlijk dezelfde is gebleven.
Op 30 december 1999 richt een melkveehouder met terugwerkende kracht tot 31 december 1998 een bv op, waarbij hij als storting op de aandelen van de bv alle activa en passiva van de melkveehouderij heeft ingebracht. De onderneming wordt, onder voorwaarden, geruisloos ingebracht. Eind oktober 2000 koopt de melkveehouder een melkveehouderij in Duitsland. Tussen 26 januari 2001 en 11 februari 2002 zijn al het vee, een aantal landbouwwerktuigen en de inventaris overgebracht naar Duitsland. Op 4 november 2002 verhuist de melkveehouder zelf naar Duistland. Het adres van de bv wordt gewijzigd in het adres van een trustkantoor in Nederland.
Na een boekenonderzoek in 2004 meent de inspecteur dat de melkveehouder ten onrechte een beroep heeft gedaan op de faciliteit van geruisloze doorschuiving bij inbreng in de bv. Hij legt een navorderingsaanslag op over 1998. Hof Arnhem is het daarmee eens.
Volgens de Hoge Raad moet voorop worden gesteld dat de verplaatsing door een ondernemer van zijn bedrijfsuitoefening niet leidt tot staking van zijn onderneming indien de identiteit van de onderneming niettegenstaande verplaatsing ervan wezenlijk dezelfde is gebleven. Een en ander moet worden beoordeeld aan de hand van factoren die tezamen en in hun onderling verband beschouwd de identiteit van de desbetreffende onderneming bepalen. Een bv die op een nieuwe locatie een melkveehouderij uitoefent met gebruikmaking van bedrijfsmiddelen en melkvee die zij heeft meegenomen, brengt geen wezenlijke verandering in de identiteit van de onderneming. De faciliteit voor geruisloze inbreng kan in stand blijven.
naar boven