Heffingsrente wederom beperkt

De Hoge Raad heeft opnieuw aangegeven dat de Belastingdienst binnen drie maanden na het indienen van een aangifte een (voorlopige) aanslag moet opleggen. Het zorgvuldigheidsbeginsel verzet zich er tegen om meer heffingsrente dan over drie maanden in rekening te brengen.

Een belastingplichtige heeft op 29 maart 2004 een papieren aangiftebiljet over het jaar 2003 ingediend. Er volgt in februari 2005 een voorlopige aanslag die conform de aangifte met als dagtekening 16 februari 2005 is opgelegd. Daarbij is een bedrag van € 206 aan heffingsrente in rekening gebracht over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 16 februari 2005. Zoals de Hoge Raad al eerder in september 2009 heeft beslist, moet de inspecteur op grond van beleid van de Belastingdienst in beginsel binnen een termijn van drie maanden na het indienen van de aangifte een (voorlopige) aanslag vaststellen. Het zorgvuldigheidsbeginsel verzet zich er tegen dat een inspecteur, bij overschrijding van de driemaandstermijn, meer heffingsrente in rekening brengt dan de belastingplichtige verschuldigd zou zijn als er bij het einde van deze termijn een voorlopige aanslag in overeenstemming met de aangifte zou zijn opgelegd. Alleen een bijzondere omstandigheid kan een overschrijding van de termijn rechtvaardigen. Daar is hier geen sprake van. De heffingsrente dient dan ook te worden verminderd.


HR 26-03-2010, nr. 09/01088