Exploitatie windturbine is onderneming

De Hoge Raad heeft in twee zaken geoordeeld dat de exploitatie van een windturbine moet worden gerekend tot de winst uit onderneming. In beide gevallen wilden de belastingplichtigen de windturbine tot hun inkomen uit sparen en beleggen rekenen.

Een bloemenkweker en een agrariër investeren in een windturbine. Beide ondernemers hebben de elektriciteit die door de turbine wordt opgewekt voor een bepaalde periode verkocht aan energiebedrijven. Het onderhoud aan de windturbines is in beide gevallen verplicht uitbesteed. De ondernemers willen de windturbine tot hun box 3-vermogen rekenen. De inspecteur is echter van mening dat de exploitatie van de windturbine behoort tot de winst uit onderneming.

Volgens de Hoge Raad vormt de windturbine in beide gevallen een productie-inrichting voor het opwekken van elektriciteit, welk product door de ondernemers in het economische verkeer wordt gebracht. Daardoor is de opbrengst die de ondernemers genieten anders dan de vergoeding die zij zouden hebben gekregen bij verhuur van de turbine aan een derde die de elektriciteit zou gebruiken in het kader van zijn energieproductiebedrijf. Voor de ondernemers bestaat de opbrengst echter uit de prijs voor het in de bedoelde inrichting voortgebrachte en verkochte product. Het op deze manier met een windturbine van deze omvang deelnemen aan het economisch verkeer is aan te merken als het drijven van een onderneming. Dat de te verrichten arbeid gering is, vanwege de aard van de bedrijfsvoering, is daarbij niet van belang.


HR 23-04-2010, nr. 08/04843
Hof Amsterdam 15-10-2008, nr. 07/00488
HR 23-04-2010, nr. 08/05321
Hof Leeuwarden 21-11-2008, nr. 07/87