Onterechte toepassing verlengde navorderingstermijn

Hoewel de alimentatie-uitkering in het buitenland is opgekomen, is er geen reden voor toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Op basis van correspondentie van de gemachtigde van belastingplichtige had de inspecteur de mogelijkheid om binnen de reguliere termijn van vijf jaar een navorderingsaanslag op te leggen.

Een echtpaar is in 1995 gescheiden. De ex-echtgenoot vestigt zich in 1995 permanent in het buitenland. Op basis van de echtscheidingsconvenant krijgt de ex-echtgenote een bedrag van f 6.000 per maand voor levensonderhoud. Naar aanleiding van een onderzoek naar een KB Lux-bankrekening krijgt de vrouw een aangifte 2000 uitgereikt waarin zij aangeeft in 2000 f 72.000 aan alimentatie te hebben ontvangen. De inspecteur vraagt de vrouw om inlichtingen omdat hij heeft geconstateerd dat de vrouw over de jaren 1996 tot en met 1999 geen aangifte heeft gedaan terwijl er mogelijk wel alimentatie is genoten. Hij verzoekt daarom om een zo gedetailleerd mogelijke opgave van inkomsten over de betreffende jaren. In oktober 2003 laat de gemachtigde van de vrouw weten dat zij op grond van het echtscheidingsconvenant € 2.723 aan alimentatie per maand ontvangt. Uiteindelijk legt de inspecteur in augustus 2006 een navorderingsaanslag op voor het jaar 1998.

Voor de rechtbank en het hof is het de vraag of de navorderingsaanslag terecht is opgelegd. Volgens de inspecteur zijn de alimentatiebetalingen opgekomen in het buitenland, daadoor verstrijkt de bevoegdheid tot navorderen pas na verloop van twaalf jaren na het ontstaan van de belastingschuld. De vrouw is van mening dat de wettelijke termijn van vijf jaar inmiddels is verstreken en dat de navorderingstermijn ten onterechte is verlengd.

Hof Den Haag vindt dat de bedragen aan alimentatie in het buitenland zijn opgekomen daar zij afkomstig zijn van de in het buitenland wonende ex-echtgenoot. Daarbij maakt het niet uit hoe de betalingen zijn verricht. De verlengde navorderingstermijn is bedoeld om de doeltreffendheid van fiscale controles te waarborgen en belastingfraude te bestrijden. Daar de inspecteur na ontvangst van de brief van de gemachtigde wist dat de vrouw in 1998 alimentatiebedragen van € 2.723 per maand ontving, hoefde de inspecteur geen beroep te doen op wederzijdse bijstand van een andere lidstaat. Hij beschikte over voldoende gegevens om binnen de termijn van vijf jaren na het ontstaan van de belastingschuld een navorderingsaanslag op te leggen en was daarmee niet afhankelijk van de tijd die noodzakelijkerwijs moet verlopen om op nuttige wijze gebruik te maken van de regelingen voor wederzijdse bijstand. De inspecteur had geen rechtvaardiging voor toepassing van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar.


Hof Den Haag 17-03-2010, nr. 09/00267