De Belastingdienst kijkt zeer kritisch naar de hoogte van de ontslaguitkering en de reden van het ontslag. Werkgeversorganisatie AWVN meldt dat ze steeds vaker wordt geconfronteerd met vragen over de strafheffing die de Belastingdienst kan opleggen bij VUT-achtige ontslaguitkeringen.
Op grond van een bepaling in de loonbelasting geldt er een strafheffing op ontslaguitkeringen die ten doel hebben werknemers vervroegd te laten uittreden. De gedachte van de strafheffing is gericht op het onaantrekkelijk maken van VUT-achtige regelingen bij het vertrek van een werknemer.
In het kader van de beoordeling of al dan niet sprake is van een vermomde VUT-uitkering zijn, twee besluiten van belang: de kwalitatieve toets en de kwantitatieve toets.
In het besluit van de kwalitatieve toets staat dat de strafheffing niet aan de orde is als de werkgever kan aantonen dat de ontslaguitkering wordt toegekend in verband met een niet-leeftijdsgerelateerde ontslaggrond - en dus niet om eerder stoppen met werken mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is ontslag wegens disfunctioneren.
In de praktijk blijkt dat de Belastingdienst werkgevers verzoekt om de ontslaggrond bij individuele ontslagsituaties nader toe te lichten, eventueel met bewijsstukken. Het betreft hier situaties waarin de werkgever een beroep doet op de kwalitatieve toets om daarmee de strafheffing te voorkomen. Het enkele feit dat in de beëindigingovereenkomst de ontslaggrond is opgenomen om daarmee de strafheffing te voorkomen, volstaat dus niet. De werkgever moet de reden voor het ontslag ook eventueel met bewijsmiddelen kunnen aantonen. Vooral in situaties waarin de ontslagvergoeding uitkomt boven de kantonrechtersformule bekijkt de Belastingdienst deze regelingen zeer kritisch.
Bron: AWVN 12-08-2008, nieuwsbericht
naar boven