Een vennootschap die bestuursactiviteiten verricht en waarvan de activa bestaan uit een verhuurd bedrijfspand en de passiva uit een pensioen- en een stamrechtverplichting, drijft voor toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit van de Successiewet geen onderneming.
In de nalatenschap van een ondernemer zit onder meer een 50%-belang in een beheer bv en een 100%-belang in een holding bv. De holding bv is voor 25% aandeelhouder in een werkmaatschappij. De activa van de beheer bv bestaan uit een bedrijfspand dat wordt verhuurd aan de werkmaatschappij, de passiva betreffen een pensioenverplichting en een stamrechtverplichting. De erfgename van de ondernemer, diens dochter, meent voor de verkrijging van de aandelen in de beheer bv gebruik te kunnen maken van de faciliteit voor bedrijfsopvolging in de Successiewet. Volgens de inspecteur gaat het echter om een lichaam, waarvan de feitelijke werkzaamheid bestaat uit het beheer van vermogen of een daarmee overeenkomende werkzaamheid. De faciliteit geldt slechts voor zover de vennootschap een onderneming drijft en dat is volgens de inspecteur hier niet het geval.
Rechtbank Den Haag overweegt dat een onderneming een duurzame organisatie is die met behulp van arbeid en veelal kapitaal deelneemt aan het maatschappelijk productieproces met het oogmerk winst te behalen. Volgens de rechter kan in het algemeen worden gezegd dat een pensioenlichaam geen onderneming drijft. Ook is niet gebleken dat in het onderhavige geval wel sprake was van een winstoogmerk. Voor wat betreft de verhuur van het pand heeft de erfgename niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van activiteiten die uitgaan boven normaal vermogensbeheer. Ook het subsidiaire beroep van de erfgename op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Zij wijst onder meer op de verkrijger van een aandeel in een scheepvaart-CV. Die komt wel in aanmerking komt voor de faciliteit. Volgens de rechter is hier echter geen sprake van gelijke gevallen. Binnen een scheepvaart-CV wordt namelijk wel een onderneming gedreven. Ook wijst de erfgename op een lichaam waarvan het vermogen voor niet meer dan 15% uit beleggingen bestaat. Die beleggingen delen wel in de faciliteit. Volgens de rechter is er voor die 15%-grens een objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond, bedoeld om relatief kleine beleggingen noodzakelijk voor de bedrijfsvoering te laten delen in de faciliteit.
naar boven