OVB-vrijstelling ¬verruimd

Naar aanleiding van de uitspraak van Hof Den Haag van 1 mei 2009 heeft de staatssecretaris van Financiën in een besluit onder andere de vrijstelling van overdrachtsbelasting bij de verkrijging van een monument verruimd.

Die vrijstelling gold voorheen onder voorwaarden alleen voor monumentenrechtspersonen als de onroerende zaak op het moment van de verkrijging stond ingeschreven in één van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten. Naar aanleiding van de uitspraak van Hof Den Haag heeft de staatsecretaris de vrijstelling nu ook uitgebreid naar natuurlijke personen. Ook komt voor een rechtspersoon de voorwaarde te vervallen dat deze hoofdzakelijk de instandhouding van monumenten ten doel heeft. Daarnaast hoeft een rechtspersoon, voor de toepassing van de vrijstelling, niet meer door de Minister te worden aangewezen als monumentenrechtspersoon. De goedkeuring geldt met terugwerkende kracht tot ingang van 1 mei 2009.

De vrijstelling geldt uitsluitend voor de verkrijging van monumenten en niet als een onroerende zaak wordt verkregen voordat deze als monument is ingeschreven in de registers. Met het oog op het behoud wordt soms al voor de bedoelde inschrijving een onroerende zaak verkregen, bijvoorbeeld als een dringende restauratie noodzakelijk is. Omdat het volgens de staatssecretaris niet altijd gewenst is dat in een dergelijk geval overdrachtsbelasting wordt geheven keurt de staatssecretaris goed dat de vrijstelling ook geldt voor de verkrijging van een onroerende zaak voordat deze als monument is ingeschreven in de registers. Voorwaarde daarbij is dat de aanvraag tot aanwijzing als monument is gedaan uiterlijk op het moment van de verkrijging, de onroerende zaak binnen tien maanden na de verkrijging als monument is ingeschreven in de registers en er tijdig een aangifte wordt ingediend met daarin een beroep op de vrijstelling.


MvF 10-06-2009, nr. CPP2009/1076M
Hof Den Haag 01-05-2009, nr. BK 07/00421