Parkeren voor vroege vogels

Een automobilist gaat met de trein naar zijn werk. De trein vertrekt 's ochtends al om 6.15 uur. De man parkeert zijn auto bij het station en wil een parkeerkaartje halen. Het betaald parkeren gaat op deze plek in om 9.00 uur. Hij stuit op een probleem: de automaat geeft aan dat het pas vanaf 7.00 uur mogelijk is een parkeerkaartje te kopen. De man staat voor de keuze om óf geen parkeergeld te betalen, óf te laat op z'n werk te komen. Hij kiest voor de eerste optie en vindt dus bij terugkomst een parkeerbon onder de ruitenwisser.

In bezwaar krijgt hij bij de gemeente geen gehoor voor zijn praktische probleem.

Bij de rechter stelt hij dat de parkeerbon onterecht is. In de eerste plaats geeft hij aan dat zijn vrouw op een eerder tijdstip bij de gemeente gevraagd heeft om een oplossing voor dit praktische probleem. De gemeente zou hierbij hebben aangegeven geen parkeerbonnen uit te delen tot een oplossing is gevonden. Alleen om die reden zou de bon al onterecht zijn. Omdat de gemeente dit ontkent en de man de toezegging niet zwart op wit heeft, kan de rechter hier niets mee.

Wel heeft de rechter begrip voor zijn praktische onmogelijkheid om parkeergeld te betalen. De rechter geeft aan dat, wanneer de gemeente de gelegenheid biedt om op een aangewezen plaats, tegen betaling, te parkeren, de gemeente ook verplicht is om de parkeerder in staat te stellen om het parkeergeld te betalen. In dit geval gaat het om een bij het station gelegen parkeerterrein, waarvan mag worden aangenomen dat daarvan vooral door treinreizigers gebruik zal worden gemaakt. Van de gemeente mag dan worden verwacht dat de parkeerautomaten daar zo ingesteld worden, dat al parkeergeld betaald kan worden voordat de eerste trein gaat rijden. Omdat de gemeente hier niet voor gezorgd heeft, kan de bon in het ronde archief.


Rb. Breda 04-06-2008, nr. AWB 07/00894