Vanaf 1 januari 2007 staat er in de wet een regeling voor het vaststellen van een vaste reiskostenvergoedingen voor werknemers die hun eigen auto voor zakelijke ritten gebruiken. De regeling komt er op neer dat de vergoeding berekend mag worden op basis van 214 werkbare dagen per kalenderjaar. Wel moet de werknemer per kalenderjaar op ten minste 150 dagen naar de vaste arbeidsplaats reizen (bij een fulltime dienstverband). Bij een parttime dienstverband worden deze dagen naar rato verminderd.
Deze minimumvoorwaarde is lastig voor werknemers die een flexibele werkplek hebben. Om hen tegemoet te komen, geeft de staatssecretaris in een onlangs gepubliceerd besluit toestemming om gebruik te maken van de al voor 1 januari 2007 bestaande praktische regeling. Deze regeling voorzag toentertijd in een vaste reiskostenvergoeding van (260 -/- 54 =) 206 werkbare dagen x reisafstand vaste arbeidsplaats vv (max. 150 km) x € 0,19. Werkt de werknemer wekelijks 2 dagen op plaats A en 3 dagen op plaats B, dan maakt u twee berekeningen: één voor plaats A, die u vermenigvuldigt met 2/5 en één voor plaats B die u vermenigvuldigt met 3/5. De staatssecretaris heeft nu goedgekeurd dat ook bij deze regeling uitgegaan mag worden van 214 dagen. De nieuwe versie van de oude praktische regeling wordt dan: 214 werkbare dagen x reisafstand vaste arbeidsplaats vv (max. 150 km) x € 0,19.
Voorbeeld van de jaarlijkse vaste vergoeding bij een enkele reisafstand van 20 km naar plaats A, en 30 km naar plaats B:
· 2/5 x 214 x 40 x € 0,19 = € 650,56 ofwel per maand: € 54,21;
· 3/5 x 214 x 60 x € 0,19 = € 1.463,76 ofwel per maand: € 121,98.
Gaat de werknemer elke week naar zijn werk, dan haalt hij de 150 dagennorm voor plaats B en dan kan de gewone vaste -reiskostenvergoeding worden gehanteerd. De jaarlijkse vergoeding komt dan op € 2.439,60. Wij nemen echter aan dat de werknemer minimaal drie vakantieweken per jaar geniet.
Wet: art. 28 URLB 2001
naar boven